Tuesday, May 12, 2009

Waarom is God een u en geen jij?

Trouw, 12 Mei 2009

Waarom is God een u en geen jij?

Nederlanders spreken God aan met u, terwijl de veel formelere Duitsers hem 'dutzen'. Ook in veel andere Europese talen wordt God getutoyeerd. Zijn wij dan tegenover God zoveel beleefder of zit er iets anders achter dit opvallende verschil?

Na haar bachelor Italiaans woonde Lobke Timmerman (25) in 2007 vier maanden in Taizé, de bekende oecumenische geloofsgemeenschap in de Franse Bourgogne. „Daar wordt in heel veel verschillende talen gezongen en gebeden. Het viel me op dat God in al die talen met een intieme, vertrouwelijke vorm wordt aangesproken – du, tu – behalve in het Nederlands. Ik sprak er in Taizé met andere Nederlanders over: Waarom spreken wij God aan met u en niet met jij? We kwamen er niet uit, maar waren het er wel over eens dat jij niet werkt, dat het toch om een of andere reden oneerbiedig klinkt."

Terug in Nederland ging ze algemene taalwetenschap studeren. Tijdens een college sociolinguïstiek werd het ontstaan en het gebruik van verschillende aanspreekvormen behandeld. Vanaf dat moment liet de jij-u-kwestie in verband met God haar niet meer los en besloot ze haar masterscriptie algemene taalwetenschap hieraan te wijden.

„Het schrijven van mijn scriptie was een avontuur, want ik wist om te beginnen niets van de geschiedenis van de aanspreekvormen in het Nederlands. Ik heb veel op internet gezocht, literatuuronderzoek gedaan en contact gelegd met diverse experts, onder anderen een hoogleraar liturgie en een hoogleraar bijbelvertalen. Ook het Nederlands Bijbelgenootschap heeft met me meegedacht. Bovendien heb ik een enquête gehouden die 62 voorgangers van verschillende kerkelijke denominaties hebben ingevuld. In die vragenlijst vroeg ik ze naar het gebruik van aanspreekvormen voor God in de liturgie en hun overwegingen daarbij."

Haar onderzoek leverde veel interessante en ook leuke gegevens op. Om te beginnen dat de oudste aanspreekvorm de tutoyeervorm is, in de meeste talen. De oorspronkelijke talen van de Bijbel, Hebreeuws, Grieks en Aramees, kenden geen beleefdheidsvorm, en ook in de Europese talen werd God aanvankelijk aangeroepen met de enige beschikbare aanspreekvorm – in het Nederlands was dat du.

Pas tussen de twaalfde en veertiende eeuw kwam in veel Europese talen het gebruik van een beleefdheidsvorm in zwang – in het Nederlands was dit gij, eigenlijk de tweede persoon meervoud. Maar uitgerekend in het religieuze taalgebruik sloeg dit niet aan, God bleef nog heel lang du. Dat was volgens Timmerman niet uit oneerbiedigheid, maar integendeel juist omdat God boven mensen en boven de maatschappelijke verhoudingen staat. „Beleefdheidsvormen die mensen onderling bezigen, zijn daarom op hem niet van toepassing. In het Duits is dit nog het duidelijkst terug te vinden. In deze taal spreekt men goden, geesten en zelfs overleden mensen altijd aan met een universeel du. Overledenen horen niet meer tot de menselijke maatschappij van rangen en standen, en daarom worden ook zij niet langer met Sie aangesproken maar met du."

Net als in andere talen werd ook in het Nederlands de beleefdheidsvorm gij aanvankelijk buiten het religieuze taalgebruik gehouden. Maar tussen de zestiende en zeventiende eeuw gebeurde er iets uitzonderlijks in het Nederlands: het verloor zijn oorspronkelijke aanspreekvorm du. Het gebruik van de beleefdheidsvorm gij werd zo algemeen dat du langzaam maar zeker uit de standaardtaal verdween.

Timmerman: „Aan het einde van de zestiende eeuw had het voor veel mensen een exotische en lelijke bijklank gekregen. Toch verzette een man als de schrijver, staatsman en calvinist Marnix van Sint Aldegonde zich nog heftig tegen het opkomende gebruik van gij voor God. In zijn psalmvertaling van eind 1580 spreekt hij God nog aan met du, een van de redenen waarom zijn vertaling niet zo populair was. In de tweede editie van zijn vertaling, in 1591, legt hij zijn bezwaren tegen het gebruik van gij voor God uit: Gods 'heylige eenicheyt' mag niet met een meervoudsvorm worden aangesproken. Gij was immers oorspronkelijk alleen het voornaamwoord van de tweede persoon meervoud (het huidige jullie). Ook vindt hij het maar pluimstrijkerij om God met een menselijke beleefdheidsvorm aan te spreken, op die manier kon God niet 'verciert noch verhoogt' worden."

Marnix verloor deze taalstrijd: du verdween ook uit het religieuze taalgebruik, en gij werd de enige aanspreekvorm in het Nederlands. Het was geen beleefdheidsvorm meer maar een neutrale vorm om iedereen, mensen en God, mee aan te spreken.

Pas in de twintigste eeuw kreeg het Nederlands weer een aparte tutoyeer- (jij) en vousvoyeervorm (u). Eind negentiende eeuw was het met de aanspreekvormen trouwens al aan het rommelen, zoals blijkt uit de epiloog van Multatuli bij zijn roman 'De bruid daarboven' (1880):

'Bij dezen nieuwen druk heb ik niets te zeggen dan dat ik by de korrektie erg gesukkeld heb met de tweede persoon. 'Gy, je, jy, jou, jouw, u', hoe is 't eigenlyk? Ik wasch m'n handen in onkunde.'

Maar waarom is in het Nederlands, toen er weer twee aanspreekvormen beschikbaar waren, niet net als in veel andere talen het intiemere jij in gebruik geraakt voor God in plaats van het afstandelijkere en beleefdere u? Hiervoor is geen eenduidige verklaring te geven, maar volgens Timmerman heeft die keuze niet alleen te maken met de beleefdheid of eerbied die u tegenover God zou uitdrukken, maar is het veeleer een taalkundige, stilistische kwestie. „U is waarschijnlijk afgeleid van gij,en wordt gebruikt in andere naamvallen dan de eerste, oftewel: u is de niet-onderwerpsvorm van gij, zoals in 'Gij zijt onze God, wij bidden tot u'. Dat betekent dat u al die tijd al bekend was in de schrijftaal en dus ook in bijbelse, religieuze taal.